Witte nog ...

©ireenaem2011

de Mandala`s van Elisabeth

INDEX

Vroeger -  Peejveldje - Pijpkijke - Biechte - Poederdoos - Suuker - Soutaneleed - Majesteet - Lievenirke -  Pap - Op de Fuis - Spelebidde -  Deurlope - Fremwiel - Op de Plets -  Dientje aant `ek - Plooien Broek - Madam Scheurgraag - Wiet Knijn

Vroeger

Enige tijd geleden logeerde Leen enkele dagen bij Lies. Twee zussen met een hechte band. Beiden zijn tachtigers en ze zijn voor hun huwelijk als een twee-eenheid opgegroeid in een gezin met negen kinderen. Tijdens de crisisjaren en in oorlogstijd. Hun jonge jaren zijn desondanks gekenmerkt door enorm veel lol en vermaak. Vanwege hun uitzonderlijk gevoel voor humor, hun genegenheid en warme belangstelling voor anderen kunnen zij nu putten uit een groot arsenaal ludieke herinneringen. Zij delen die graag met anderen. En ook nog heel graag met elkaar.
Tijdens de logeerpartij zijn zij elke nacht pas tegen drie, vier uur naar bed gegaan ... met stijve buik- en kaakspieren van de lach ... om hun belevenissen van vroeger ...
Lies heeft de verhalen staccato opgeschreven en voor haar en Leen worden ze in de komende tijd als `n feuilleton op de site gezet ... niet chronologisch, maar in Verbondenheid ...

het Schrift van Elisabeth

Peeveldje

Het was op een zomerse woensdagmiddag. Moeder Jaan had bedacht dat er gras voor de konijnen gesneden moest worden. Ze het ok altij wa, smoeder. Zijde net klaar meej ut een, motte taander wir gaan doen! 
Met tegenzin gingen Lies en Leen op pad. De meegekregen juten zak stonk nogal. Ut varreke vanierneffe ruukt lekkerder! En het handzeisje voor de klus had zo z`n beste tijd gehad. Dar kunde meej oew gat op naar Rome rije! Komde nog `eel aan ok!
Het landje met het beste konijnengras was een flink eind lopen, over de Belze Lijn, voorbij de koeienwei en langs het peeveldje van Merijn van Over. Edde gij ok zo`n zin in un peej, Leen?  Met de vraag rees ook de twijfel bij Lies, want van `t land pikken werd zwaar bestraft in die tijd. Maar het frisse groene loof lonkte en bleef maar lonken. Witte wa, zei Leen, we trekke ze d`r gewoon uit, bijte `n stukske d`r af en zette ze terug. Da zien ze nooit!  En zo gezegd, zo gedaan.

`n Paar dagen later ging vader Janus buurten bij Merijn. Deze stond op `t punt van vertrek naar z`n peeveldje. Om te gaan schoffelen en wieden. Loop ik mee oe mee, zei Janus.
Aangekomen bij het peeveldje trok Merijn wit weg. Janus, dur is `n ziekte in de peeje ... ziede gij da ok? Overal plekke waar ut loof slap hangt! ... 

Pijpkijke

Er waren zo van die gelegenheden dat je je goei goed aan moest. Daar moest je zuinig op zijn zodat de volgende in het gezin het ook nog kon dragen als sweeks goed. Lies en Leen gingen wandelen. Nie van ut pad af, want gullie et oew goei goed aan! Maar moeder Jaan had het nakijken. Lies en Leen besloten stiekem naar de beek te gaan. Ze volgden het pad naast het slootje dat uitkwam in de beek. Kik Lies, zemme nun brug aangeleet! Meej un pijp d`ronder! Aggij nou aan dees kant deur de pijp kikt, dan gaan ik deur d`andere kant van de pijp kijke.
Lies keek en keek, maar ze zag geen Leen. Leeeeen, ziede gij mijn? Het bleef verdacht stil in de pijp. Lies ging polshoogte nemen. En ze zag dat Leen in de beek lag. Kglee uit, Lies, gif `s un `andje! Leen kroop kletsnat de kant op. De schaterlach van de zusjes was tot in de verre omtrek te horen. Even later hing al het goei goed van Leen te drogen aan het pindraad. Het zag er onbehoorlijk goor uit. Wa summe dur van langs krijge, Leen. Smoeder het nog zo gezeet ... nie van ut pad af! Leen keek beteuterd. Zegge we toch dat ut plaatsluk begon te regene en da`k uitglee op het modderpad. Afgesproke? Lies vond het `n goed idee. Da geloof smoeder wel!

Bij thuiskomst stond moeder Jaan de twee al op te wachten. Iero, jullie! Wa deeje jullie bij de beek?! Lies en Leen keken elkaar aan. Oe wit smoeder da wij bij de beek ware?

Veel en veel later kregen de zussen te horen dat Jantje MijnLijn het pijpkijken van `n afstand had gadegeslagen. Jantje had doorgaans maar een gespreksonderwerp. Hij telde voorbijkomende treinen over 'zijn Lijn' en controleerde of ze op tijd waren. Het bracht structuur in z`n dagen. Hij was ontregeld door wat hij had gezien bij de beek. Met gezwinde spoed was hij bij moeder Jaan schande gaan spreken over haar jong. En alle passesjiers op mijn lijn konne ut ok zien!

Biechte

Op een vroege maandagochtend liepen Lies en Leen samen naar hun werk. Het was een heel eind lopen naar de stad. Dus ze hadden ook ruim de tijd om de belevenissen van het weekend nog `s uitgebreid door te nemen. Zoals gewoonlijk werd er ook dit keer onbedaarlijk gelachen door de zussen. De twee raakten nooit uitgepraat, maar ... dit keer stokte de pret toen ze in de buurt van de Paterskerk aankwamen. Zelfs hun gelijke tred was op slag ontregeld. Lies hupste herhaaldelijk om weer in de pas van Leen te komen. En dan hupste Leen ook maar ... 
Waddedde gij toch?, vroeg Lies. En Leen stopte. Lies, ik zou graag wulle biechte, zou de pastoor dur al zijn?, fluisterde ze met enige verontrusting in haar stem. Lies keek bedenkelijk. Neije, die lig nog bij te komme van z`n slaapmutske, Leen. Die kom vor jou z`n bed nie uit. Maar ge kun ok bij mijn biechte agge dur van af wul. Ik kan goed luistere en ik zal oe alles vergeve!
Het bleef even stil. Leen dacht na. Ze vond het wel een goed voorstel, en voordat ze begon met het opbiechten van het bezwarende in haar gemoed vroeg ze aan Lies: Mar ge zult `r mijn toch nie vor aankijke, he Lies?
Tuuuuurlijk nie,
sprak Lies plechtig, ... mar wel vor naroepe..!!!
De zussen gierden het uit en in gelijke tred vervolgden ze hun weg naar het werk, zo jong als ze waren ... af en toe hupsend ...

Poederdoos

Als Lies er over spreekt, komen de tranen nog in haar ogen ...

Ik had van mijn vriend een poederdoos gekregen ... een hele mooie poederdoos. Daar was ik heel blij mee, want niemand anders had zo`n mooie poederdoos. Op een keer was ik vergeten de poederdoos mee te nemen nadat ik me gepoederd had. Ik had `m op de schouw laten liggen. 
Ik moest er op m`n werk de hele dag aan denken. Toen ik `s avonds thuiskwam lag de poederdoos gelukkig nog op de schouw. Ik heb `m meteen in m`n tas gedaan. Verder niet meer aan gedacht, aan de poederdoos. 
De volgende ochtend wilde ik m`n neus poederen, deed ik de deksel van de poederdoos open en weet je wat er in zat?
Een paardenmop! Die had mijn vader er in gedaan ...  Ik heb heel erg moeten huilen toen ... van kwaadheid ...
 

Met betraande ogen vertelt Lies dit verhaal ... tranen van de lach, dit keer ... en Leen ... die zit de hele tijd al te lachen omdat zij weet wat er komen gaat ... keer op keer ... want het is een Gouwe Ouwe ... de Poederdoos!

Suuker

Het kwam bijna nooit voor dat Lies en Leen bij thuiskomst voor een gesloten deur stonden. Zowel na het geklingel van de trekbel bij de voordeur als na het gebonk op de tweedelige achterdeur deed niemand open. Daar zaten ze dan, op de deksel van de regenput. Leen met een kostbaar pak suiker in de hand, want in oorlogstijd was alles op de bon. Onderweg van het werk terug naar huis had ze de suiker opgehaald bij onsWadrie, de kruidenier van de Fuis.
Maria in het grotje keek minzaam naar de twee op de put. De lucht betrok.
Ons raam stadope, Leen, zuwwe naar bove klimme. Kunne we naar binne, want `t ga zo regene en dan wor de suuker nat. Ut grotje van Maria is stark genocht! Gifde gij mijn `n kontje? Er volgde een stevige klauterpartij. Het resultaat was dat de zusjes even later vol schrammen zaten. Het grotje bleek niet sterk genoeg. Maria was nu haar dak kwijt. Wa nou, Lies, smoeders grotje...?! Lies dacht na. Ierneffe hebbe ze un trap!

Even later kwam Sjaak van ierneffe met de trap. Helaas, de trap was net niet hoog genoeg. Leen stond op de bovenste tree. Met het pak suiker nog in haar hand. Te kurt, Lies, ut ga nie! Leen kreeg een ingeving. Om twee handen vrij te hebben gooide ze het pak suiker langs het open raam naar binnen. En ze trok zich aan de raampost naar boven en kroop naar binnen. Lies riep dat Leen moest opschieten om de deur van de schuif af te halen. Ut begien te regene, Leen! Het bleef even stil. Leen stak haar hoofd uit het raam. Lijkbleek stamelde ze: Eel de vloer lig onder de suuker!
 
De volgende dag was het ongebruikelijk stil aan de lange eettafel. Moeder Jaan was zeer verbolgen over haar dakloze Mariabeeldje. Ze zweeg. De hele kinderschare wist dat je dan ook maar beter kon zwijgen en stilzitten. Vader Janus roerde bijna geluidloos de suiker door z`n koffie en langzaam bracht hij de mok naar z`n mond. Hij leek iets bijzonders te proeven. Hij tuitte z`n mond. Lies en Leen durfden elkaar niet aan te kijken. En toen verbrak vader Janus de de stilte: Jaan, wa daddat meej de koffie is ... kweenie, mar volges mijn zat er zand tussen de bone!

Soutaneleed

... in de tijd dat de kerken nog goed gevuld waren tijdens de diensten, was het zeer gebruikelijk dat de aardse herders regelmatig langs gingen bij huishoudens die wat bemoedigende woorden konden gebruiken. Of ze meldden zich gewoon voor de gezelligheid en het borreltje. Veelal onverwachts. Dit keer kwam meneer pastoor erg ongelegen, want alles in de leefkamer was aan een kant geschoven. Vader Janus stond op het punt het plafond te gaan witkalken. Zooo, druk aan het werk?, klonk het vanaf deurdrempel. Vader Janus keek naar moeder Jaan, groette meneer pastoor en verliet de ruimte.
Kom deur, meneer pastoor, nim plaats!, glunderde moeder Jaan. Ze trok gehaast het laken van de enige beklede zetel in huis. Meneer pastoor liep statig door de kleine ruimte naar de zetel naast de grote potkachel. Achter hem aan de jongsten van het gezin, Jeanne en Carolien.  Braaf gingen zij tegen de deuren van het keldertje onder de bedstee staan. Terwijl meneer pastoor plechtig zijn soutane `n beetje optilde en de koordkwast lichtjes opzij zwaaide, ging hij zitten. De ogen van Jeanne werden van de schrik vier keer zo groot. Meneer pastoor... meneer pastoor... Maar ze kreeg geen kans om te zeggen wat ze wilde zeggen. Zwijgt, gij... laat meneer pastoor prate!, snauwde moeder Jaan. En Jeanne sloeg haar hand voor de mond. Ook de ogen van Carolien kregen de omvang van schotels. Haar handjes begonnen te wapperen, alsof die wilden zeggen: Nie doen, nie doen! De twee aanschouwden vol spanning het tafereel naast de potkachel. 
Op het moment dat meneer pastoor in de stoel neerzeeg was de koordkwast precies in het blik met witkalk terecht gekomen. De hele tijd ging de kwast heen en weer, op het ritme van meneer pastoor zijn riedeltje. Moeder Jaan was, zoals altijd, zeer gefascineerd door de woorden van meneer pastoor. Zij had niets in de gaten. Om zijn woorden kracht bij te zetten kneep meneer pastoor af en toe met z`n hand in de koperen stootrand van de potkachel. Daarbij boog hij wat opzij, maar net niet ver genoeg om de koordkwast over het randje van het kalkblik te trekken. Jeanne en Carolien veranderden in standbeeldjes... met knipperende ogen. Ze durfden niets te zeggen, want moeder Jaans verbod en gebod waren heilig. En zwijgen was dan het veiligst.

Na `n tijdje stond meneer pastoor langzaam op, sprak zalvende woorden uit, sloeg een kruis over moeder Jaan en wees vragend naar de deur. Moeder Jaan ging meneer pastoor voor richting de achteruitgang. Haar dag was weer helemaal goed. De koordkwast van meneer pastoor tikte in de maat van zijn trage looppas witte stippen op de zij-, voor- en achterkant van de soutane... en over de planken vloer verscheen een lange witte kalkstreep... 

Daaag meneer pastoor!

Majesteet

... ondertussen waren Lies en Leen op de slaapzolder aan het spelen. Tussen de bedden lagen wat spullen uit de leefkamer opgeslagen, omdat die gewitkalkt moest worden.
Leen was de koningin en Lies de prinses. Zij gingen helemaal op in hun spel en daarom hadden ze niet gehoord dat er beneden geestelijk bezoek was.
Lieve koningin, mag ik heeeel even uw kroooon opzetten, als het u belieft, smeekte prinses Lies. U dient mij aan te spreken met majesteit!, sprak koningin Leen streng op hoge toon. En vandaag heb ik trouwens mijn kroon niet op, die wordt nu gepoetst door de lakei. 
Ooo, majesteit, maar ik zag hem net nog liggen naast uw bed!, reageerde prinses Lies.
De koningin keek toe hoe de prinses gehurkt, vanachter het bed de glazen lampekap tevoorschijn haalde en hoe zij die voorzichtig op haar hoofd zette. De kroon past precies, majesteit!, zei prinses Lies opgetogen. Nog net was het puntje van haar neus te zien.
Kom naderbij prinses, u moet eerbied betuigen en een diepe buiging voor mij maken!, dicteerde koningin Leen. En prinses Lies gehoorzaamde. De lampekap gleed tot op haar kin tijdens de pasjes richting koningin. De prinses ging kaarsrecht staan en vroeg met een piepstemmetje: Majesteit, sta ik zo voor u?  
U mag buigen, prinses!
En prinses Lies maakte een diepe buiging. Maaajesteeet.... oeoeoeoe!!! 

Lange tijd heeft er geen lampekap boven de eettafel in de leefkamer gehangen. Aan het witgekalkte plafond hing slechts een peertje. De met koperen rand afgezette glazen lampekap was door de diepe buiging van prinses Lies gelanceerd tegen het scheenbeen van koninging Leen. Een flinke diepe buts was het gevolg en er had enige tijd rijkelijk blauw bloed gevloeid. Het glas van de kap lag aan scherven en scherven brengen geluk. Meneer pastoor was die dag op bezoek geweest, dus het spel is net niet geeindigd in een hofdrama.

Lievenirke

Vader Janus was spoorwegambtenaar en werkzaam bij een van de grootste stations van het land. In oorlogstijd heeft hij op zijn manier geprobeerd de bezetter te dwarsbomen. Met kleine sabotage-acties waardoor treinen niet op schema konden vertrekken. Hij sprak er nooit over, maar aan z`n houding was het af te lezen als hij weer `s iets ondernomen had. Soms zei hij: Jaan, zorgt da de kinders vanavut nie te dicht bij de lijne speule.  Dat was dan meestal nadat men naar de Engelse zender had geluisterd.

Kikke gij ok uit, fluisterde Jaan. Kzijn in den opper ast zowijt is..., mompelde vaderJanus. Het klonk als codetaal. En daarmee ontstond een onbestemde sfeer in huis. Met het uur liep de spanning op, nadat vader Janus de deur was uitgestapt om z`n late dienst bij het spoor te gaan draaien.

Daar eddum, allemaal naar de kelder... Lies, Leen, nim de kleinste meej... manne, pak de kat en den `ond...! 

In de kelder onder de bedstee kon men horen hoe een trein langzaam naderde en hoe die piepend tot stilstand kwam op het spoor achter het huis. Het gesis van de locomotief werd plots overstemd door gebulder van afweergeschut `n eind verderop richting stad. Het gedreun van de bominslagen op het rangeerterrein van het station deed de wekflessen op de kelderplanken trillen. 

Lievenirke, spaardons, Lievenirke, spaardons vader, Lievenirke, spaardons Peer en ons Kees, Lievenirke, spaardons...  heilige Maria, wees ons genadig, spaardons, Lievenirke... Zo klonk de smeekbede van Lies, terwijl ze van angst heen en weer wiegde. 

De wereld was klein, daar in de kelder onder de bedstee, voor een moeder met haar kinderen, schuilend voor een bombardement terwijl haar man een trein op het spoor achter het huis tot stilstand bracht, ver van het station dat doelwit was voor de engelse bommen. Zo bracht de bezetter de treinen met oorlogsmaterieel  in veiligheid. Door ze buiten de stad op de spoorlijn nabij een buurtschap te parkeren. Deze taak was vader Janus opgelegd. Hij had geen keus. Hij heeft het vaak moeten doen. Maar hij zorgde er wel voor dat de trein niet pal achter de huizen tot stilstand gebracht werd... dus ver genoeg van de mensen voor het geval dat... En zelf bleef hij tegen de orders in niet op de trein. In de hooi-opper van boer Lauwen wachtte hij het moment af dat het bombardement was gestopt... 
Het waren donkere nachten, zeer donker, zo donker dat het licht uit de tijd leek te gaan... donkere tijden... met daarin kleine lichtpuntjes...

Dank u wel, Lievenirke, dank u wel, heilige Maria, da`k ginne wekfles op munne kop heb gekrege...

Pap

De bombardementen in de stad werden steeds heftiger. De bevrijding was nabij, maar men leefde in voortdurende angst. Ook aan de rand van de stad en tot ver daarbuiten. De sfeer in het buurtschap aan de schuiven was gespannen. Dagelijks trokken mensen in kleine karavanen door de straat richting Belgie. Net over de meet, zo zei men, daar was het een stuk veiliger. Janus had besloten dat z`n gezin bij familie in `n dorp verderop ondergebracht moest worden. Het viaduct aan het eind van de weg was al verwoest door de bommen. Hij verwachtte dat het flienk zou gaan spere aan de lijne.
Aan de vooravond van het vertrek stonden Kee en Ariaan ineens in de achterom. Met Sjaak en Marie. En met de geit. Kee was helemaal over haar toeren. Ut dun krupt door d`r broek, Janus, en ik heb `t d`r ok nie op. Zemme vlak bij ons afweergeschut weggezet. Meuge wij de kommende dage bij jullie schuile?, smeekte Ariaan hijgend. Janus zag dat het viertal helemaal buiten adem was. Komt `r mar in, we gaan net aan tafel. Ons Jaan heb majuspap gemakt. Schuif mar aan. Op zolder is nog wel plek tussen de bedde. De geit mekkerde. Breng die mar naar `t kotje bij de knijne, Marie, die mag nie binne!

Marie, de oudste zus van Lies en leen, was hulp op de boerderij van Ariaan en Kee. Ze was getrouwd met Sjaak. En omdat ze nergens anders terecht konden zijn ze in gaan wonen op de boerderij. Sjaak had `n jonge geit aangeschaft. Een klein begin van `n grote veestapel.

Er werden vier diepe borden op de lange tafel in de leefkamer bijgezet. Op de lange banken aan weerszijden van de tafel zat de kinderschare van Janus en Jaan. De  vier vluchtelingen namen plaats tussen hen in . Iedereen zat krap, maar het voelde veilig zo dicht tegen elkaar. Vader Janus en moeder Jaan hadden elk hun eigen stoel aan het hoofd van de tafel. Fannie, de hond kroop onder de stoel bij Janus en Miesje, de kat ging zoals altijd op schoot bij Jaan. 

Tijdens het gebed voor het eten van de pap klonk in de verte het geronk van een vliegtuig.
Daggieleerden!, fluisterde Lies opgetogen. Neeje, Lies, da`s ne Veejeen! Stil, luistert! Vader Janus kneep z`n ogen dicht. Aan tafel bleef het muisstil. De klok tikte de tijd langzaam weg.
Hij vliegt over, Godzijdank!

... Amen ... eet smakelijk!
Al snel werd er druk gekeuveld aan tafel. De pap deed wonderen zo leek. Kee was in ieder geval weer wat tot rust gekomen. Ineens liep de kat over tafel en die probeerde bij elk bord wat naar binnen te likken. Maar ze werd steeds weggeduwd. Met haar achterpoot kwam ze tenslotte in het bord van Lies terecht. Rillend schudde ze de pap van haar poot. En die pap kwam precies in het gezicht van Lies terecht.
Iedereen lachte en lachte. Het klonk als een ware ontlading van alle opgebouwde emotie in de afgelopen uren. Maar het stond niet in verhouding tot de hoeveelheid pap die de kat had weggeslingerd. Lies werd boos. Ze voelde zich belachelijk gemaakt. Ze werd zo boos dat ze met volle kracht met haar vlakke hand in het bord met pap sloeg. En ze voegde er luidkeels aan toe: Ikke pap, jullie allemaal pap!

Kee kreeg de volle laag. Langzaam draaide ze haar met pap besluierde hoofd opzij. Ariaan, kik ierzo, ik zit `elemaal onder de pa...p! Er verscheen een grote bel op de plaats waar haar mond schuilging achter de papsluier.
En toen werd er onbedaarlijk gelachen, door allen die aan tafel zaten ... echte pret! Het voelde als een bevrijding. Leen gaf Lies `n liefdevolle aai over de bol. Gij zijt me d`r een,Lieske ... het is trouwes nie 'daggieleerden', mar 'dalliegeerden'!

Op de Fuis

De zolder was veranderd in een soort tentenkamp. Om voor Kee, Ariaan, Marie en Sjaak `n slaapplek te creeren waren `n paar bedden op houten kistjes gezet. Daaronder deden`n paar lagen juten zakken dienst als matras. Spreien vervingen de dekens. Tussen de stapelbedden waren lakens opgehangen om de jongens van de meisjes te scheiden.
Leen en Lies moesten onder hun eigen bedden slapen. Kee ging in het bed van Lies en hoogzwangere Marie in dat van Leen. Het was al tegen middernacht dat iedereen op zolder en beneden in de bedstee nog steeds z`n best deed om in slaap te komen. Eenmaal gewend aan de donkerte, dan worden vormen in de ruimte enigszins zichtbaar. Zo konden Lies en Leen zwijgend toch met elkaar communiceren. Het gebarenspel werd verstoord door twee dikke benen die ineens voor de neus van Lies verschenen. Het was Kee die uit bed stapte. Om op de emmer naast het bed van Lies te gaan. In het donker. Zij was de eerste. Dat was goed te horen, want het echode nogal in de emmer. Kee nam de tijd en even later viel er met luide luchtverplaatsing ook nog iets stevigs in de emmer. Lies raakte bijna bedwelmd door de gassen die vrij kwamen toen Kee van de emmer afkwam. Tante Kee, mag d`emmer naar buite, ik kan nie tege paffum?

`n Paar uur later ging in de donkere nacht het luchtalarm af in de stad. Al snel daarna dreunde de grond van de bominslagen. Het tentenkamp werd in allerijl verlaten en even later zaten tien mensen in de kelder onder de bedstee. Kee op `n stoel. De groten over en door elkaar. De kleinsten op de planken met wekpotten. En wederom werd er gebeden ... en wederom werd het gebed verhoord ...

De volgende ochtend ging Ariaan eerst nog even naar de boerderij om z`n dieren te verzorgen en meteen nadat hij terug kwam is Janus met z`n gezin en z`n vrienden, de hond, de kat, de schildpad en de konijnen op weg gegaan naar familie in het dorp verderop. Bepakt en gezakt, met proviand en extra kleding voor ast langer duurt dan `n week ... De geit mocht niet mee. Die werd in `t kotje voorzien van grote bakken met droog voer en drinken voor de komende dagen. Janus zou er op weg naar z`n weg steeds even langs gaan.
 
Het liep anders dan verwacht. Janus kon niet naar z`n werk. De gallieleerden waren de grens al dicht genaderd en er werden stevige grondgevechten gevoerd in de omgeving. Het kanonnengebulder kwam steeds dichterbij. In het dorp waar veel mensen uit de stad naar toe waren gevlucht voltrokken zich rare taferelen. Mannen in uniform kwamen over de zandweg aangefietst. Sommigen in ondergoed of met het scheerschuim nog op hun gezicht. Velen op een fiets met lekke banden, zonder zadel of maar met een trapper.
Kik nou. Leen, ne mof op ne kinderfiets! Lies keek haar ogen uit. Motte zien, Lies, die daar is vergete z`n schoene aan te trekke!
Binnekomme jullie!
schreeuwde vader Janus. Naar de kelder!

We worre bevrijd .. we worre bevrijd! In de kelder heerste spanning, van blijdschap maar ook van angst. Plotseling vloog de kelderdeur open. `n Lange figuur hing in de opening. Bitte ... bitte ...
Janus stond op, stapte het kleine trapje op en zei met strenge stem: Nein, mein neer, wir habe kein biete! En weg was de soldaat.

Na ruim `n week keerde de familie terug naar haar eigen buurtschap. De stad was bevrijd. Het hart van de stad lag grotendeels in puin. En in het buurtschap waren een aantal huizen getroffen door mortiergranaten en bommen. Ook het huis van Janus. Het dak was er half af. Vanuit het tentenkamp op zolder wapperde `n laken naar buiten. Een van de buitenmuren hing over het smalle steegje tegen het huis van de buren.

De emmer van Kee lag beneden op de plaats waar eens de bedstee stond, het plafond was verdwenen... en de geit lag achter dood in het kotje ... getroffen door `n verdwaalde kogel ... Loempe geit, loempe geit! dat was het enige wat Sjaak kon uitbrengen.

Lies vond haar negerpopje terug tussen de resten van het huis. En terwijl zij stevig kauwde op de bubbelgum die ze had gekregen van nun Gallieleerde, trooste zij het popje. Wimpie, wil je ook kauwgum? Zij had het popje vernoemd naar Wimpie, de enige zoon van Kee. Die is in de oorlog gebleven.

De oudere, lange tijd ondergedoken broers van Lies en Leen keerden ongedeerd terug en er werd een start van een nieuw leven gemaakt in het gerestaureerde huis bij de schuiven op de Fuis.

Bij opa en oma Fuis ... voor veel van hun tientallen kleinkinderen is het nog lange tijd een tweede thuis geweest ...

Spelebidde

Er werd flink gebeden in het huis aan de Fuis. Zo het uitkwam en veelvuldig op vaste momenten. Dan werden grote schalen met klapzand gevuld en die werden op de lange tafel gezet. In elke schaal werden `n aantal kaarsen gestoken, of waxinelichtjes. Het grote licht ging dan uit, moeder Jaan sloeg een kruis en zette na `n moment stilte het gebed in. Alle heiligen werden er steevast bij gehaald. Die werden voor van alles en nog wat aan het werk gezet.
De kleinsten vonden de lichtjes prachtig. Het kostte hen dan ook veel moeite om de ogen gesloten te houden. Maar omdat moeder Jaan toch niet keek tijdens het gebed, waagden ze het er geregeld op met een oog open het kaarsenlicht te aanschouwen.  
Lies en Leen deden altijd plechtig mee, rechtop zittend, handen gevouwen, ogen dicht. Zij waren op de leeftijd gekomen dat ook zij een vroom voorbeeld aan het jonge grut moesten geven. Maar het gebed zonder end viel voor hen niet altijd mee. Dus ze maakten er op een keer maar een spel van.

Hhhhhhhhhhhheilige Maria, bhhhhhidt voor hhhhhhons .... Onze Vhhhhaaaaader die in de Hhhhhhhheeeemelen zhhhhhhijt ...

De kaarsen flikkerden op de ademuitstoot van Lies en Leen  ....

FFFFFhhhhhheilige Maria, bidt fffffffffvor ons ... Onze Fffffffffhhhhaaaaader die in de Hhhhhhhhemelen fffffffhhhhijt ...

De ene na de andere kaars in de schaal die voor Lies en Leen op tafel stond ging uit. De kleinsten, Carolien en Jeanne, zagen het gebeuren.  Met grote ogen keken ze naar de gedoofde kaarsen en vervolgens naar moeder Jaan. Hun gebed veranderde geleidelijkaan in geprevel en als snel daarna in een hartstochtelijk blaasspel ...

Ffffffffffffffffffffffffffffffff ... ffffffffffffff ....

Net voordat alle kaarsen de geest hadden gegeven werd het Aaaaamennn afgegeven door moeder Jaan ... en de kinderen eindigden in koor met FFFFFFhhhhhhaaaaaamennn ...  Maar dat hadden ze beter niet kunnen doen ... 
Moeder Jaan zei niets, stond op, stak alle kaarsen een voor een weer aan en ze begon het hele gebed en het heiligenbezoek opnieuw ... met onder haar samengevouwen handen een van haar houten vrouwenklompjes ... en aan tafel wist men wat er dan zou kunnen gebeuren ...

`Eilige Maria ... onze Vader die in d`emele zijt ...
`ligge Marie ... sVa in d`emel ... 
... Amme ...

Deurlope

In een groot huishouden heeft iedereen een vaste taak. Van oud tot jong. En alles dient op tijd uitgevoerd te worden, zodat niemand op `n ander hoeft te wachten. Maar er zijn van die dagen dat alles in het honderd loopt. Zoals op die ene zondag.

Moeder Jaan was al heel vroeg uit de bedstee gekropen nadat ze de jongste telg uit de rieten wiegmand op de plank boven het voeteneind had getild. Het ging moeizaam, want Jaan had rimmetiek. Terwijl Jaan zich waste bij de waterpomp in de schuurkeuken moest Marie, de oudste, de kleine Jeanne uit de lappe `ale en pap geven. Onderwijl wreef de rest van het kroost op de slaapzolder de slaap uit de ogen. Ze wachtten op het sein van moeder Jaan dat ze naar beneden konden komen om zich te wassen aan de pomp. Eerst de jongens. Lies en Leen moesten ondertussen alle bedden opschudde en rechttrekke. En daarbij werden ze bijgestaan door Clientje, die ook nog uit de lappe gehaald moest worden.

Vandaag mochten alle kinderen hun goeie goed aan, want de familie ging te kerke. Naar de Paasviering. Vantevoren moest nog van alles worden voorbereid en klaargezet voor de Paasmaaltijd na de kerkgang. Janus porde het vuur op in de grote potkachel, stopte er blokken hout bij, zette de soeppan met de schenkels op de kachel om te trekke, de jongens schilden en wasten de piepers en de meiden zorgden ervoor dat het touwkesvlees met gesneje juin in de braadpan op het pietroliestel aan de sudder kon. Moeder Jaan dekte schuifelend op haar klompkes de lange eettafel met het Brabas Bont. In het midden zette zij de kristallen bloemenvaas. Jaan had `n bloementuintje achter het huis, tegen de lijne. Daar zou ze ook vandaag de bloemen gaan snije. Ze schuifelde door de keukenschuur, zag dat de mand met aardappelschillen er nog stond, pakte deze stillekes op en ging over het pletske naar achteren, naar den `of. Om bloemen te snijden en om de schillen op de numusoop gooien.

Het was bijna tijd geworden om te vertrekken naar de kerk, maar moeder Jaan was nergens te bekennen. Waors os moeder? 
Janus zat op het gemak in de afgetimmerde plee achter in de keukenschuur. Het was ook de tijd voor zijn gemak. Dus hij bleef op het gemak. Ondertussen zochten de kinderen naar hun moeder. Binnen en buiten, voor en achter.
Moeoeoeoeder! Waar zijde gij? Moeoeoeoeoeder!

Heel in de verte, bijna onhoorbaar, gaf Jaan met `n benepen piepstemmetje antwoord. Kzijn ieroooo!  Ze was bij de numusoop gevallen, precies ernaast in de mestvaalt van de konijnen. Ze kon niet overeind komen. Van de rimmetiek. Toen Lies en Leen haar vonden, was zij getooid met aardappelschillen  met daaronder haar uiteengevallen knotje. Haar goeie kleed zat onder de knijnekak, een klompke bungelde aan een grote teen en het andere klompke lag op de numusoop.

Het hele huishouden is in de weer geweest om Jaan weer gewassen en wel in schone klompkes en in een schoon kleed te krijgen. Jaan was helemaal van d`r apropos. Ze wilde beslist niet te laat in de kerk arriveren.

Het was `n klein half uur lopen naar de kerk. De kinderen waren vooruit gestuurd. Jaan zette de snelle klompenpas erin, ondanks haar rimmetiek. Tak tok tak tok tak tok ... Janus kon haar niet bijhouden. Tok ... tak .. tok ...
Opschiete Janus! Lop wa deur, gij! Aanst komme we `emaol te laot! Janus hield van z`n gemak, overal en altijd, dus ook onderweg naar de kerk.
Jaan, `ard lope het ginne zin. Kzijn immes net zo snel in januari as gij!

Vrolijk Pasen!

Fremwiel

Lies leverde onlangs kopij aan voor "Witte nog" ... speciaal voor haar zus Leen. Hieronder is het letterlijk overgenomen.

"Ons Leen en ik zaten op de wip die ons vader had gemaakt achter in de tuin op de bleik. We hadden dikke schik. Toen kwam er ineens een vliegtuig over en daar schrok ik van. Ineens hing ik ondersteboven aan de wip. Toen ik omhoog keek zag ik dat het vliegtuig omhoog vloog en in `n boog weer naar beneden kwam. Ik riep tegen ons Leen dat het mijn vliegtuig was. Hoe kan dat nou, zei ons Leen. Nou, dat zie ik aan het fremwiel, zei ik. Ons Leen vond het gek en ze zei dat dat niet kon, want een fiets heit `n frem met wielen en het vliegtuig niet. Jawel, zei ik, een vliegtuig heit ook wielen, maar die zijn ingeklapt. Ons Leen dacht dat ik klapbanden bedoelde. Wat hadden we `n lol. En toen ging het zo verder bij de wip.

De piloot keek naar beneden en die zag dat ons Leen en ik aan het strijen waren. Wacht, dacht de piloot, daar moet ik het fijne van weten. Ik daal daar op het graanveld en dan zullen we eens dobbelen van wie dat vliegtuig is. Hij had toevallig driehoekige dobbelstenen bij. En toen gingen we dobbelen om het vliegtuig. De piloot gooide de dobbelstenen heel hoog in de lucht. En weet je wat er toen gebeurde. Een van de stenen viel precies op de spoorlijn achter de bleik. En toen kwam er net een trein aan. En die reed krek over de steen. Die was natuurlijk kapot. Die piloot janken janken. Want hij was bang dat hij z`n vliegtuig verloren had. Niet huilen piloot, zei ik toen, je krijgt mijn vliegtuig als je ons naar Amerika vliegt. Da`s goed, zei de piloot. Ons Leen en ik hebben toen het vrijheidsbeeld gezien. Omste beurt, iedere keer als we met de wip omhoog gingen. Ik zien het vrijheidsbeeld, riep ons Leen telkes.

Witte nog Leen dat we dat allemaal verzonnen terwijl we op de wip zaten?
Wat hebben we gelachen, he! Dag lieve zus van me. Liefs van Lies
"

Op de Plets

(Voor A3N)

Achter het huis op de Fuis bevond zich de plets. Vanaf de straat te bereiken onderdoor een poortboog, via een lange pijpgang en dan onderdoor een iets lagere poortboog. Over de plets kon men dan de keukenschuur binnengaan. De delendeur was altijd van het slot, stond meestal helemaal open en soms half open. Dan was alleen het onderste deel dicht.  Soms diende de plets als schouwburgloge, vanwaaruit een kinderschare twee wollen kniekousen konden zien optreden boven de halve deur. Een kniekous met een klein gevouwen papieren hoedje er op gespeld en de andere kniekous voorzien van een kanten kleedje langszij. In beiden kousen zaten nogal wat stopsels en knollen. En ze konden praten! Vreemd genoeg hadden ze allebei armpjes ... tamelijk korte armpjes ... die erg leken op duimen en pinken.

Achter de halve deur zaten Lies en Leen op hun knieen met de armen in de lucht. Elk met een hand en onderarm in een kniekous. En met in de andere hand een grote bladertak die heen en weer wiegde. Jan Klaassen en Katrijn in het bos. 
Die waren aan het kibbelen. Hun hoge stemmetjes werden gaandeweg de act steeds lager. En de bomen schokten even nadien heen en weer op het ritme van de dialoog die steeds meer op een ruzie achter de deur ging lijken. 
- Gij zee mijn tekst, Lies!
- Snie Leen, ik ben toch Jan klaasse!
- Ja, maar Jan mot nie zegge dat ie de pliesie roept, da mot Katrijn zegge!
- Ik mag toch ok de pliesie roepe, was da nou! Plieieiesssieieie!!!  Pliesieieie!!!

- ...

De bomen zwiepten plots van links naar rechts. Het begon hevig te stormen. Jan Klaassen en Katrijn zochten dekking en daalden af. Hun stemmen bleven achter. Die begonnen verdacht veel op die van Lies en Leen te lijken.

- Ist nou klaor meej da g`akkenaai!
Een zachte stem op de achtergrond probeerde boos te klinken.

De bomen vielen langzaam om. Ritsel, ritsel. Een rode en een blonde kruin verschenen tot net boven de halve deur. De rode met `n gele strik en de blonde met een rood lint. In het decor kwam vanuit de donkerte van de keukenschuur een glimlachende reus met een pet op tevoorschijn ... vader Janus ...

Even later stond vader Janus vlijtig op de plets touw te slaan. Alle kinderogen volgden zijn sierlijke bewegingen. Hij draaide in een aanhoudend langzaam tempo aan `n klein molentje met daarin een aantal gaatjes waarin dunne vezeldraden verdwenen. Die kwamen er aan de andere kant als `n dik touw weer uit. Wonderlijk. In verbondenheid. Het was de hoofdact voor een groot klein publiek met in het vooruitzicht een spiksplinternuuwspriengtouw, voorzien van uit hout gedraaide handvaten.

Touw slaan, dat heeft vader Janus tijdenlang op bepaalde dagen in het jaar gedaan. Ook nog voor zijn kleinkinderen. Ik weet het nog goed ... wat was het indrukwekkend als hij met een stevig opgerolde krantenfakkel de vezels van het vers gedraaide touw afbrandde ... en wat was het spannend tot het moment dat het touw van de haken werd gehaald. Het krulde altijd om als een rillende slang ... En dan fluisterde opa Fuis ... Zo, dies gesloge! Sprienge mar! 

Dientje Aant`ek

Aan de andere kant van de schuiven woonde Dientje, `n klein rond oud vrouwtje. Ze was alleen op de wereld, zo leek het. Weinig mensen gingen bij haar op bezoek. Dientje was namelijk niet zo schoon. En ook rondom Dientje rook het niet al te fris. Maar Dientje was heel aardig. Bij droog weer leunde zij bijna de hele dag op het houten hekje voor haar huisje. Haar dikke handen zachtjes over elkaar wrijvend of minzaam gevouwen, alsof zij in gebed was. Iedereen die voorbij kwam begroette zij met een warme hartelijke stem. En als de mensen geen haast hadden dan maakten ze `n praatje met Dientje. Want Dientje wist heel veel, heel erg veel. 

Op `n dag, druk kwebbelend van school naar huis lopend, kwamen Lies en Leen voorbij Dientje Aant`ek. Dientje had haar handen stevig voor haar mond gedrukt en ze wiegde `n beetje raar met haar hoofd. 
- Doeter op, Dientje?
- Kep zonne taandpen, meskes. Amaai, waddek ne taandpen aon munne vortaand.
- La`s kijke,
zei Lies.
Dientjes lippen gingen trillend wat van elkaar en Lies boog iets voorover om het beter te kunnen zien.
- Kzien ut al, Dientje, die mottur uit. 
- Da wee`k, meske, da wee`k, mar diene taandman vrag wel vijf gulde vor ne taand trekke, hemmik g´oord. Da doenk nie, mok nog betale om ietewa af te staon. Misschient dade taand dur vaneiges uit valt, ak nog effe wacht.

Dientje was na deze ontmoeting al `n paar dagen niet meer te zien geweest bij het hek. Aan de opengeschoven gordijntjes kon men oordelen dat ze wel thuis was. Ook was iedere dag de volle melkfles binnengehaald en stond er weer `n lege voor in de plaats. Maar de buurt begon zich toch ongerust te maken over Dientje. 

Lies en Leen werden er op uit gestuurd om bij Dientje langs te gaan. Of alles in orde was. En zo geschiedde. 

Het hekje piepte akelig toen Lies en Leen aarzelend en luid roepend het weelderig begroeide voortuintje in gingen.
- Dieieientje, wij zijn ut, Lies en Leen. Meuge we deurkomme? 
Geen respons.
- Dieientje, alles goed meej oe?
Achter de deur was er nog leven, zo te horen. `n Stoel schoof krassend over de stenen vloer.
- Dientje, doe`s ope, we zijn ongrust. Is alles goed meej oe?
Enige ogenblikken later ging het bovenste gedeelte van de deur langzaam open en daar stond Dientje, `n beetje voorover gebogen.
- Komme jullie doeoen? klonk het zacht.

Lies en Leen gingen wat door de knieen om het gezicht van Dientje beter te kunnen zien. Ze zagen iets aan haar, maar wat, dat was niet meteen te zeggen. Toen Dientje ineens `n brede lach tevoorschijn toverde deinsden Lies en Leen van schrik wat achteruit. Zo hadden ze Dientje nog nooit gezien.

- Mar Dientje toch ... g`et alles laote trekke?! G`et gin ene taand mir in oewe mond!  
- Klupt, zei Dientje, de p...aandman ha`r nie p...rug van `n p...ientje.

(D`is `n Braban`s mupke da veul varriejasies het. Van ost naor west en ummes gekeerd. Mar tis waor geburt. Dientje is zonder taande eel oud geworre en z` is stienkesrijk gestorreve. En de kaark het alles g`orve. Unne legaat g`at, zogezeet. En daorom het`r jaore `n bordje in unne zijnis van de kaark g`onge meej daarop in mooie letters geschreve:
In dierbare herinnering aan Dientje. Zij is nu in de hemel. 
En da`s gin mupke.) 

Plooien Broek

Men praat wel eens over een grijs verleden, maar soms hebben herinneringen toch een uitgesproken kleur. Zoals de herinnering aan de plooienbroek. Het gaat eigenlijk helemaal niet over een geplooide broek, maar het is de enige acceptabele typering van een broek die zo allejezus lilluk van kleur was dat je  zelfs zou gaan vloeken bij het uitspreken van de kleur ervan alleen al. Zo erg was het. Aldus Lies.

In het huis op de Fuis was alles van "ons". Men had er niet zo veel persoonlijke bezittingen. Maar het kwam toch ook voor dat men iets kreeg wat dan voor `n hele lange tijd van jou was. Dan was jij er de baas over. En heeeel af en toe kreeg men `n ding waar men helemaal niet blij mee was.

Lies vertelt, met bijval van Leen.

"Ons moeder war naar de mart gewist op maandagmorgen. En ze brocht een peeerse broek meej vor mijn. K`aar `t al gezien toen ze `m uit haar tas haalde. Die mok nie, zee ik, Daor lope allenig gekken in.  Ons moeder wier stik kwaod en ze zee: Ons grutje zou d`r blij meej zijn gewiest! Zunne mooie broek!
Ik bleef volhouwe da`k nie in zonne achterlijk broek wulde lope. Wa gij, zee ons moeder, gij lekt ons Aant wel. Die is krek ut zelfde as gij. Ok zo trotsig! 
Nou motte wete da ons Aant, mijn peetante is. Dus ik wit zekers da tant Aant ginne peeerse broek aan zou doen. Net as ikke nie. Da`s veul te Rooms!"

Terwijl Lies vertelt, giert Leen het uit van de lach.
- He Lies, `t was toch anders peeers. Gin Rooms peeers, mar leke-peeers.  
- Sjuust, Leen, lijke-peeers. In zo`n kleur hemd doet de pastoor de lijkmis. Ik ben ginne dooie.
- Nou, ik was er anders heel blij mee, met zo`n peeerse broek!
- Plooienbroek, Leen, gij het beloofd nooit nie mir te prate over ne peeerse broek!
- ... blij met de plooien broek, vooruit!
- Gij wit nie alluf hoe raar je d`r uit zag meej die plooien broek, waor ok nog `s elastiek bij in de pepkes zat. Pepkes tot op oew kuite. Zo van Kwul en Kannie. 

Ondertussen kijkt 'ons grutje' vanuit de fotolijst boven het heilige-beelden-kastje van Lies de kamer in. En ze schijnt te denken: Alles wa`k heb vor ne peeerse broek. Da`s veul makkelukker as`k naor ut `uuske mot.
"ons Grutje"

Madam Scheurgraag

Lies heeft nog steeds streken. 
Zo scheurt ze bijvoorbeeld bladzijdes uit haar verhalenschrift om er boodschappenbriefjes van te maken. Of ze trekt er een bladzijde zomaar uit omdat ze vindt dat ze niet mooi genoeg heeft geschreven. Dat gebeurde vorige week ook weer `s.  
Ze had het blaadje nog niet weggegooid toen ik bij haar langs ging; het lag netjes gevouwen op tafel. Om er de boodschappen op te noteren.
Ik heb toen voorgesteld de bladzijde er weer in te plakken, omdat het schrift anders steeds dunner werd. Vond ze goed.

`n Paar dagen later kreeg ik het schrift mee om haar nieuwe verhalen op Witte Nog te zetten.
En toen ...  ... kwam ik dit tegen:
... was ondertekend met "madam Scheurgraag"

Wiet Knijn

In heel de buurt was men verstoken van waterleiding en aansluiting op de riolering. Maar voor alles had men een oplossing.

Tegen de wand bij het granieten aanrecht in de keukenschuur had Janus een waterpomp aangelegd. Met een altijd blinkende geelkoperen knop. Zo kon men het water oppompen uit de put die naast de ingang van de keukenschuur lag. Schoon, helder water. En overtollig water werd in het gootsteenputje opgevangen, via een pijp door de buitenmuur en in een gemetselde goot over het platje afgevoerd naar de sloot achter d`n `Of van Jaan ...

De inhoud van het gemak, daarentegen, werd niet direct afgevoerd. Alles wat het huishouden dagelijks aan behoeften loosde werd opgevangen in een mis-ton. De behuizing daarvan was door Janus zodanig geconstrueerd dat de ton via een luik aan de achterkant van de aanbouw verwijderd kon worden. Een keer in de zoveel tijd. Een geurig karwei, waarna de ton opgehaald werd door de Boldoot-kar. Maar Janus leegde de ton altijd zelf ... in de moestuin ... bij de tomatenplanten ... of in de mis-kuil om er d`n `Of van Jaan mee te verrijken.     

Was da nou wir? mompelde Janus terwijl hij de ton omkeerde tussen de tomatenstaken. Tju,`n wiet knijn! Meej `n scheer! Hoe komta daor nou in?  

Enkele uren daarvoor had Leen het haar van Lies geknipt.

Vur schandaol ..., aldus Lies. Kep zekers zes weke meej `n strooie dak gelope... Wa war ik kwaod op ons Leen! ... Kem m`n afgeknipte haar meej scheer en al in de kakdoos gegooid!     

Tachtigers op weg naar de negentig

Zwager Piet is op bezoek bij Elisabeth. Zij vertellen elkaar wat ze zoal doen om gezond en in beweging te blijven. Goed eten, onder de mensen komen, stof afnemen, afwas doen, etc. Dan zegt Piet:
"Ik doe elke ochtend ochtendgymnastiek!" 
"Op de radio?", reageert Lies enthousiast.
"Nee", zegt Piet, "Op bed!"



Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.

Bep | Antwoord 21.10.2013 12.07

Hahaha geweldig die tachtigers!

Ireen | Antwoord 20.10.2013 18.39

Tachtigers!

Adrienne | Antwoord 26.03.2012 15.33

Ireen, ik hou stik veul van jou, ge het me vanmiddag wir flienk laote lache. Ik zien ut gewoon gebeuren en ik oor en ruuk wir alles van vroeger. Bedaankt.

Hennie | Antwoord 19.12.2011 14.32

Geweldige verhalen.
Goed bewaren en vastleggen vur "'t naogeslagt"
Groetjes oit Eindhoven.
Hennie de Groot
Redacteur www.eindhoven-in-dialect.nl

José | Antwoord 04.10.2011 14.50

wat een verhalenvertellers! Geweldig leutig, je ziet het allemaal voor je.

Jennos | Antwoord 02.10.2011 21.12

Ze zijn weer geweldig,heb de link doorgestuurd naar onze nicht Jeanine Nieuwlaat.Voor 'n snufje nostalgie en een lach en een traan.

ireen | Antwoord 23.08.2011 23.34

De Mandala´s van Elisabeth!!! Met engelengeduld en toewijding heeft zij er aan gewerkt. ´n Waar kunstwerk! Met haar ben ik enorm trots op het resultaat.

Jennos | Antwoord 19.08.2011 21.27

Bedankt dat je me weer hebt teruggebracht naar waar ik ook vandaan kom. Ondanks de pijn in mijn buik, heb ik weer me rot gelachen om die twee.

Jennos | Antwoord 07.08.2011 13.53

Ze kunnen met z'n tweetjes een boek vullen. Héél véél liefs tante Lies en tante Leen.

ireen 13.08.2011 23.55

Tante Lies laat weten dat zij met mandala`s bezig is. Ze zijn prachtig! Binnenkort worden foto`s ervan op Efkeskijke gezet. Liefs aan allen namens tante Lies.

Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

01.08 | 08:39

Beste Irene,
Wat een prachtige foto's en leuke verhalen.
M.v.g Jurgen Mulders

...
23.07 | 01:04

Blikseminslag ...

...
15.07 | 13:56

Respect ...

...
07.07 | 23:36

Eenzame fietser in stortbui ...

...
Je vindt deze pagina leuk